Vorige week heb ik het wetenschapscollege hoogbegaafdheid (opgezet door de Algemene Onderwijsbond) gevolgd.
Hier was dr. Marjolijn van Weerdenburg aanwezig. Zij is verbonden aan het Behavioural Science Institute (BSI) en aan het expertisecentrum Radboud Talent in Ontwikkeling (RATIO). In onderzoek richt ze zich met name op:
1. Effecten van onderwijsinterventies in het algemeen en in het onderwijs voor (hoog)begaafden.
2. De rol van cognitie, geheugen, taal in leerprocessen.
3. Het effect van versnellings- en verrijkingsprogramma’s op de sociaalemotionele aspecten van (hoog)begaafde leerlingen
4. De relatie tussen leervermogen en intelligentie.
IMAGE
Dr. Marjolijn van Weerdenburg is ook projectleider van het onderzoeksproject: ‘Impact of Activities in Gifted Education’ (IMAGE). Het IMAGE onderzoek gaat over wat werkt en waarom werkt het: passend onderwijs voor HB leerlingen. Informatie rondom dit onderzoek komt over 2 weken online op hun website.
Basisboek (hoog)begaafdheid voor PO en VO
Vanuit alle onderzoeken die gedaan zijn geworden, hebben ze: Basisboek (hoog)begaafdheid voor PO en VO ontwikkeld. Hierin worden wetenschappelijke standpunten in combinatie met verschillende visies weergegeven. Dit boek is gratis te downloaden op de site: Kenniscentrum Hoogbegaafdheid
In het boek komt onder andere naar voren dat het doel van signaleren niet labelen is, maar het achterhalen van de leer- en ontwikkelbehoeften van de leerlingen. Er moet worden gekeken wat er nodig is om talenten tot volle bloei te laten komen. Elke leerling heeft recht op een ononderbroken ontwikkeling.
Signaleren
Uit onderzoek blijkt dat jongens vaker in +klassen zitten. De oorzaak hiervan is dat meisjes zich sneller aanpassen aan hun omgeving. Jongens uiten zich makkelijker en sneller. Dit valt op, waardoor scholen hierop inspelen. Het is van groot belang dat de aangepaste (vaak onderpresterende) kinderen ook gesignaleerd worden. Er zijn signaleringsinstrumenten die scholen kunnen gebruiken, zoals SIDI en DHH.
Relatief onderpresteren wordt bijna niet gezien, al helemaal bij meiden niet. Relatief onderpresteren betekent dat een leerling minder presteert dan op basis van zijn of haar capaciteiten verwacht mag worden, maar wel beter presteert dan de gemiddelde klasgenoot.
Vanuit het signaleren moet er passend bij het kind gehandeld worden. Wat bekend is vanuit onderzoek rondom onderpresteren is dat vanuit klik/relatie met de ‘casemanager’, er met onderpresteren vooruitgang geboekt kan worden. Zonder klik geen vooruitgang! Het moet een professional zijn en geen ouder (ouders moeten ouders zijn).
Advies landelijke norm voor basisondersteuning
In november 2024 is er door de AOB en Ouders & Onderwijs het advies landelijke norm voor basisondersteuning geschreven. Het advies gaat over ondersteuning in het basisonderwijs voor kinderen met problemen met lezen en/of spelling, dyslexie, (hoog)begaafdheid en problemen met taak/werkgedrag. Veel scholen volgen de richtlijnen gelukkig, maar het is helaas een advies en geen verplichting. Wel is dit document fijn (en belangrijk!) om met elkaar over in gesprek te gaan. Dit geldt voor zowel directie met leerkrachten voor het beleid op hun school, als ouders met directie/leerkracht voor hun kind dat (extra) ondersteuning nodig heeft.
Voor (hoog) begaafdheid staat onderstaande advies geschreven:
(Hoog)begaafdheid
Definitie (hoog)begaafdheid (Gagné, 2010; Subotnik et al., 2018)
Dit ondersteuningsgebied gaat om de ondersteuningsbehoeften die voortkomen uit het
ontwikkelings- of leerpotentieel van leerlingen. Dit potentieel kan zich uiten op bijvoorbeeld
intellectueel, creatief, sociaal, perceptueel of fysiek vlak.
Omgevingsfactoren (zoals school, thuissituatie en sociale omstandigheden) en interpersoonlijke kenmerken
(zoals fysieke en mentale gesteldheid, motivatie en doorzettingsvermogen) beïnvloeden de ontwikkeling en het tot uiting
komen van talenten. Door verschillende factoren kan dit leerpotentieel mogelijk niet volledig benut
worden, wat onder andere kan leiden tot onderpresteren. Er kan bijvoorbeeld een mismatch zijn
tussen de behoefte van de leerling en de aanpak van school of tussen de opvoedingsstijl van ouders
en opvoedkundige behoeften van het kind. De basisondersteuning in dit gebied richt zich op het
stimuleren van het ontwikkelings- of leerpotentieel en het voorkomen of tegengaan van
onderpresteren in de schoolomgeving.
Beleid
1.Het schoolbestuur met alle vestigingen heeft beleid over het signaleren van ondersteuningsbehoeften bij leerlingen met kenmerken van (hoog)begaafdheid, van instroom tot uitstroom van leerlingen en ook bij de overgang van po naar vo. Daarbij is er aandacht voor onderpresteren. De school voert het beschreven beleid uit.
2. Het schoolbestuur met alle vestigingen heeft beleid over de ondersteuning bij (hoog)begaafdheid, aansluitend bij de visie van de school gericht op goed onderwijs voor alle leerlingen. De school voert het beschreven beleid uit.
Kennis en vaardigheden
3. De school heeft kennis over verschillende perspectieven op (hoog)begaafdheid.
4. De school heeft kennis over het signaleren van ondersteuningsbehoeften.
5. De school heeft kennis over divergent differentiëren: het inspelen op verschillen in leertempo, leerpotentieel en interesses.
6. De school doet een beroep op een specialist hoogbegaafdheid of een professional met expertise in (hoog)begaafdheid. De school heeft deze expertise intern of weet deze extern in samenwerking met andere scholen, het schoolbestuur of samenwerkingsverband te verkrijgen.
7. Deze specialist ondersteunt het team bij het signaleren van ondersteuningsbehoeften en helpt bij het vormgeven van het onderwijsaanbod. De specialist draagt bij aan de kwaliteitsontwikkeling van de onderwijsprofessionals en het aanbod.
8. De school ondersteunt het team in de vorm van tijd, geld en expertise bij het verbeteren van hun kennis en vaardigheden op het gebied van pedagogisch-didactisch handelen, specifiek voor (hoog)begaafdheid, aansluitend bij de behoeftes van het personeel en bij de populatie van de school.
Ondersteuning
9. De school signaleert ondersteuningsbehoeften bij leerlingen die onderpresteren.
10. De school faciliteert haar onderwijspersoneel om tot optimale differentiatie te komen binnen de onderwijscontext.
11. De school past het lesaanbod aan om het ontwikkelingspotentieel van leerlingen te stimuleren, afgestemd op hun niveau en tempo. Ook de sociale en emotionele ontwikkeling krijgt aandacht.
12. Verschillende vormen van differentiatie kunnen tegelijk worden ingezet. Voorbeelden zijn:
a. PO: Verrijken van het lesaanbod, compacten (overslaan van overbodige herhalings- en oefenstof), versnellen binnen een vakgebied of door een leerjaar over te slaan en het bieden van andere vakken aansluitend bij de interesses van de leerling.
b. VO: Verrijken van het lesaanbod, compacten (overslaan van overbodige herhalings- en oefenstof), versnellen binnen een vakgebied of vervroegd examen doen en het bieden van Advies landelijke norm voor basisondersteuning: andere vakken aansluitend bij de interesses van de leerling. Versnellen in de vorm van een of meerdere jaren overslaan maakt geen deel uit van de basisondersteuning.
13. De school stimuleert socialisatie en persoonsvorming van leerlingen. Dit kan bijvoorbeeld door samenwerkingen of contactmomenten tussen deze leerlingen te organiseren, eventueel met ondersteuning van het schoolbestuur, het samenwerkingsverband of de gemeente.
Wat valt niet onder de landelijke norm voor basisondersteuning?
14. Individuele ondersteuning voor leerlingen met kenmerken van (hoog)begaafdheid die onvoldoende baat hebben bij de basisondersteuning en die langdurige individuele ondersteuning nodig hebben die volledig op maat gemaakt is.
15. Het aanbieden van voltijdshoogbegaafdheidsonderwijs.
16. VO: Versnellen door een leerjaar over te slaan.
