Gedrag dat vaak verkeerd begrepen wordt

Dit kind is niet lastig, dit kind heeft het lastig!
In het onderwijs zien we ze elke dag: kinderen die boos worden, weglopen uit de klas, niets meer doen, clownesk gedrag vertonen of juist volledig dichtklappen.
Het gedrag wordt al snel benoemd als lastig, opstandig, lui of ongeïnteresseerd.
Maar probeer eens achter het gedrag te kijken. Het gedrag is vaak geen onwil, maar onmacht.

Gelukkig wordt gedrag steeds vaker gezien als het zichtbare gevolg van onderliggende processen: stress, over- of onderprikkeling, onveiligheid, zwakke executieve functies of sociaal-emotionele overbelasting.

Ross Greene, klinisch psycholoog, verwoordt dit kernachtig met zijn bekende uitspraak:
“Children do well if they can.”
(Greene, 2016)

Met andere woorden: als een kind het juiste gedrag niet laat zien, is dat meestal niet omdat het niet wil, maar omdat het nog niet kan binnen de omstandigheden waarin het zich bevindt.

Onderzoek binnen de ontwikkelingspsychologie en neuropsychologie bevestigt dit beeld. Emoties, gedrag en leervermogen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden (Siegel, 2012).
Als een kind stress, onveiligheid of overprikkeling ervaart, schakelt het brein automatisch over op de overlevingsstand. Gebieden die gericht zijn op snelle, automatische reacties (zoals het limbisch systeem en de hersenstam) worden dan dominant. Het deel van het brein dat nodig is om te leren, te plannen en bewust te sturen (de prefrontale cortex) is op zo’n moment minder goed beschikbaar.
Juist in dit hersengebied ontwikkelen zich vaardigheden als:
-het reflecteren op eigen gedrag
-het remmen van impulsen
-het reguleren van emoties
-het plannen en overzien
-het flexibel kunnen denken

Een kind dat overspoeld raakt, heeft op dat moment simpelweg minder toegang tot deze vaardigheden. Verwachtingen als: “even rustig nadenken”, “gewoon beginnen” of “stop daar nu mee” vragen dan neurologisch gezien iets wat tijdelijk niet beschikbaar is.
Gedrag dat wordt gezien als onwil, is in het brein vaak een signaal van overbelasting.
Ook Stuart Shanker (2013) schrijft in zijn werk over zelfregulatie, dat veel gedragsproblemen voortkomen uit een overbelast stresssysteem en niet uit een gebrek aan motivatie.

Waarom goed bedoelde aanpakken soms averechts werken
Systemen die vooral leunen op belonen, straffen en corrigeren gaan impliciet uit van:
Het kind kan het, maar doet het niet.
Wanneer dat uitgangspunt niet klopt, ontstaan er misverstanden.
Een kind dat overprikkeld of emotioneel overvraagd is, ervaart straf of druk niet als leerzaam maar als extra stress. En stress is juist datgene wat het probleem vergroot.

Onderzoek laat zien dat relatie, emotionele veiligheid en co-regulatie voorwaarden zijn voor gedragsverandering (Siegel, 2012; Greene, 2016).
Zonder regulatie geen reflectie.
Zonder veiligheid geen ontwikkeling.

Wat helpt dan wel?

  1. Eerst regulatie, dan correctie. Een kind moet zich eerst weer veilig en rustig voelen voordat leren of bijsturen mogelijk is.
  2. Kijken onder gedrag. Niet: ‘Hoe krijg ik dit gedrag weg?’. Maar: ‘Waar komt het gedrag vandaag?’.
  3. Vaardigheden versterken. Executieve functies, emotieregulatie en sociale vaardigheden zijn trainbaar, maar alleen in een veilig klimaat met begrip en ondersteuning (Diamond, 2013).
  4. De relatie als basis. Een volwassene die afstemt, rust uitstraalt en voorspelbaar is, helpt het stresssysteem van een kind tot rust te komen (Siegel, 2012).
  5. De omgeving aanpassen. Gedrag ontstaat nooit los van de context. Prikkels, taakeisen, tempo, groepsgrootte en verwachtingen spelen een enorme rol. Soms hoeft niet (alleen) het kind te veranderen, maar juist (ook) de omgeving/situatie.
  6. Normaliseren en psycho-educatie. Kinderen helpen bij het begrijpen van zichzelf:
    “Je brein stond in de alarmstand.” of ”Een blokje stond scheef.”
    Dat haalt schaamte weg en vergroot zelfinzicht. Dit is een belangrijke voorwaarde voor groei.
  7. Kleine successen zichtbaar maken. Niet alleen kijken naar wat misgaat, maar juist wanneer het wel lukt. Wat kan het kind al en welke strategieën helpen?
    Dit versterkt het gevoel van competentie en werkt bevorderend voor zelfbeeld en motivatie.
  8. Consistentie en mildheid. Duidelijkheid, voorspelbaarheid en grenzen blijven belangrijk. Niet hard, maar helder. Niet controlerend, maar ondersteunend. Structuur werkt regulerend mits die gedragen wordt door relatie.

Van ‘probleemkind’ naar kind in ontwikkeling
Wanneer we anders leren kijken, verandert niet alleen het kind maar ook de volwassene.
Dan wordt gedrag een signaal. Gedrag wordt niet goedgepraat, maar wel serieus genomen en gezien als communicatie. Want dit kind is niet lastig, dit kind heeft het lastig.

En kinderen die het lastig hebben, hebben geen hardere correctie nodig maar wijzere begeleiding.
Met KIK help ik kinderen en schoolteams om met een andere blik naar gedrag te kijken en dit te vertalen naar wat er dagelijks nodig is in de praktijk.

Geraadpleegde literatuur:
Diamond, A. (2013). Executive functions. Annual Review of Psychology, 64, 135–168.
Greene, R. (2016). Raising Human Beings. Scribner.
Porges, S. (2011). The Polyvagal Theory. Norton.
Shanker, S. (2013). Calm, Alert and Learning. Pearson.
Siegel, D. (2012). The Developing Mind. Guilford Press.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *